Tekst: Elsbeth Vernout, uit: Deze en Genen (2007)
Ot en Sien spe-len op den voor-ga-le-rij. Ze bla-zen zeep-bel-len heel hoog de lucht in. ‘Kijk Sien, zo!', zegt Ot.
Dan komen er drie mannen in uniform aan. Een van de mannen vraagt: ‘Knaap-je, is jouw ma-ma thuis?' Ot zegt: ‘Ja meneer, Maat-je is ach-ter.' Maar Sien roept: ‘Nee, niet zeg-gen!' De man-nen loo-pen door. Ze wil-len zoo naar bin-nen loo-pen. Dan komt Groot-ma-ma naar buiten. De e-ne man zegt: ‘Wij zien hier jong-e kin-de-ren spee-len. Waar zijn hun moe-ders? Die gaan met ons mee.' Groot-moe krijgt he-le groo-te oo-gen. Ze wordt lijk-bleek. Ot en Sien zijn er stil van.
‘Groot-ma zegt: ‘Mijn doch-ters zijn net-te vrou-wen. Ze gaan niet met u mee! Ze moe-ten voor hun kinder-tal zor-gen, nu hun man is af-ge-voerd.' Groot-ma-ma wordt steeds bozer. ‘Dit kunt u niet van mij vra-gen!', roept ze. ‘In dit land heb-ben men-schen res-pect voor de wil van een oude vrouw!'
De na-re man-nen wor-den nu een beet-je bang. Ze ma-ken een bui-ging en gaan weg. Groot-ma is ook zó streng!
Sien heeft a-dem-loos ge-luis-terd. Ze kijkt naar Ot. Zijn mond staat oo-pen. Kom, we gaan weer spee-len, zegt Sien. Dat wil Ot wel. Maar eerst gaat hij zijn Ma-maatje een knuf-fel gee-ven. |
Tekst: Elsbeth Vernout, uit: Deze en Genen (2007) Regie: Selma Susanna, adviezen: George Groot
`Zullen we spe-len?', vraag Sien. Ot knikt ja. Maar hij zegt: `neen!' Sien kijkt ver-baasd. Is het nu `ja' of `neen'? Ot schudt neen. Maar hij zegt: `ja'! Nu moet Sien lach-en. `Jij houdt me voor de mal!', zegt ze tegen Ot. Maar Ot is stil. Het is geen grap-je. Ja en neen vindt hij moei-lijke woor-den. Misschien wel de moei-lijk-ste woor-den die er zijn. Sien vraagt: `Kom je nou?' `Neen!' roept Ot. Hij is boos. Maar ei-gen-lijk wil hij wel graag met Sien spe-len. Sien zegt: `Nou, ik speel wel met Trui.' En weg is ze. Daar zit Ot, al-leen. Door die rot-woorden. Ja, en neen. Hij heeft ze nooit goed be-gre-pen. Soms zegt Maatje `ja' tegen Va-der, als ze `neen' be-doelt. Soms zegt Trui `neen' als ma-ma haar vraagt of ze stout is ge-weest. Ot zag dat ze wèl stout was, dan is het toch `ja'? Ot snapt het niet meer. Hij weet wel dat hij hard moet hol-len om Sien in te ha-len. Ze is al bijna bij de soos, waar het or-gel speelt. `Ik be-doel ja!, roept hij haar ach-ter-na.
|
Tekst: Elsbeth Vernout, uit: Deze en Genen (2007)
`Ik heb last van mijn ge-nen', zegt Ot. `Wat zijn dat?', vraagt Sien. `Dat zijn klei-ne deel-tjes, die ik van mijn voor-ouders heb ge-kre-gen', zegt Ot. Sien vraagt be-hoed-zaam: `Heb ik ook ge-nen ge-kre-gen?' `Na-tuur-lijk', meesmuilt Ot. Die Sien toch. `Ie-de-reen heeft ge-nen!' ‘Maar mijn genen zijn vervuild', zegt Ot wijs.
`Zijn die van mij ook vuil?', wil Sien we-ten. Nu weet Ot niet zo goed wat hij moet zeg-gen. Sien komt heel schoon o-ver. Ot vraagt haar: `Heb jij nare ei-gen-schap-pen?' Sien denkt na. Haar maatje zegt al-tijd `lief kind' te-gen haar. Baboe vindt haar een bra-ve meid. Dan weet ze het. `Ik heb plat-voe-ten!', roept ze uit. Ot haalt zijn schou-ders op. `Da's niks erg', zegt hij. `Ik ben een ver-gaar-bak van el-len-de die niet in mijn ge-ne-ra-tie thuis-hoort!' Ot gaat stamp-voe-ten. `Ik wil geen ver-vuil-de ge-nen!', roept hij. `Je lijkt je vader wel', zegt Sien.
Dan heeft Sien een idee. `We gaan ons ba-den in den ri-vier!' `Alle ge-nen spoe-len weg!' En daar hup-pelt Sien al rich-ting ri-vier. Ot zucht. En gaat haar mok-kend ach-ter-na.
|
|
|